De [Claghte des Sondaers.] Met veel pijne Mijne aerme Ziele naer. O dien Leeu mij altijdt volghet, Seer verbolghet, Om mij in d'Hel t'hebben gaer !
X X V I. Dat zijn meest de vreesen, Heere, Die mij seere Quellen, nu en t'aller tijdt. Hulp' en Waep'nen mij ontbreken, Om te wreken, Den Draeck onverhindert strijd.
V. Rvst-stede.
X X V I I. De Sonde. Het Vleysch, Wereld, ende Sonde. Gheeft dese wonde: Al mijn hulp de traenen zijn: Stenen, suchten, schreeuwen, tieren, Met verdieren. T'is droef eenigh draeghen pijn.
X X V I I I. Om dat ick weet dat mijn sonden Niet om gronden Het ghetal te boven gaen Van het hayr mijns hoofdes drooghe Weent mijn ooghe, End' ick voel mijn herte slaen.
X X I X. O Sond, wreet sijn dijne Wetten: Sij besmetten: Dijne cracht gheeft doodes wondt: Seer vergiftigh is dijn wonde ! Wreet is sonde, En wreet is de straf van sondt !
X X X. [...] Ick ween, en mij selfs ick quelle Dat de Helle Van mijn boos vleysch wordt ghevoedt Duysent vuyle lusten heden En dwaesheden Voedtstu, O vleysch, sondes vloedt.
X X X I. Och mij en is niet verborghen: Dat verworghen Men d'een cracht niet d'ander magh,
Cookies on Poetry Cove