De [Claghte des Sondaers.] Het vleysch dooden als ongoedigh: Dan t'is bloedigh Sich selfs gheven doodes slagh !
V I. Rvst-stede.
X X X I I. De wereldt, ende tghene dat in de wereldt is, Te weten: O dij magh ick wel beclaghen Al mijn daghen Wereldt, vloedt van vloeden drij, Die mijn ziel soo hert bestrijden: Al mijn lijden O Wicht, commet meest van dij !
X X X I I I. De begheerlickheydt, Siet ! al de begeerlickheden Tot mij treden: O den Wellust lockt mij seer: Mijne sinnen hij verwinnet En ontsinnet. Och wat dwaesheydt vindtmen meer ?
X X X I V. 2. De pracht des levens, met de Den Pracht en verwaentheydt windigh, Hooghmoet blindigh, Lust tot swerelds eere licht, Smeecken en loftuyten mede, Pochers Zede, Wonden mij met haren schicht !
X X X V. Begeerlickheyt der ooghen. De begheerte van de ooghen Wilt slechs pooghen Om te voeden in mijn hert Onversade giericheden, Waer uyt treden Alle sonden, vloedt van smert.
X X X V I. Wereldt och waer is dijn Weerde Op de eerde ? Dijne Weerd ick niet en sie ! Wereldt bistu mij onweerdigh: Dien naem weerdigh; Wereldt, sonder weerde, vlie !
X X X V I I. Dat is d'oorsprongh van mijn smerten En ontherten: Dat brenght mij in droeven staet: Doch de-straf bij soo veel suchten Voedt mijn duchten:
Cookies on Poetry Cove