De [Claghte des Sondaers.]
Dus en weet ick gheenen raet;
V I I. Rvst-stede.
X X X V I I I. De straffen van den Sondaer, ende den oorsprong van de selve. Het schijnt dat al de ellenden, Al het schenden; Het schijnt dat het ongheval, Wreetheydt, afgrondt, straf en smerte, Voor mijn herte, Voor mijn herte ghemaeckt zijn al !
X X X I X. Aermoede. Ick sie dreyghen de aermoede Met haer roede: Sij seght dat mij naket schandt ! Och moet ick nu zijn behoevigh Ende droevigh: Dat is t'gheen mijn hert verbrandt.
X L. 2. Vervolginghe, Het goedt dat ick moet verlaten Huys, Hof, Vaten, Mijn herte dickwils seer belast Dan sie ick den bast, sweerdt, vlammen Vol vergrammen: Dat is op mijn hert een last.
X L I. 3. Achterclap. Of ick schoon waer wel gheseten, Siet de beten Van qua monden quellen mij, Achterclappers van mij rellen Quaedt vertellen. Tonghen quaedt druck brenghen bij.
X L I I. 4. Sieckten. Mijn lijf, swack, onnut, ellendigh Seer afwendigh, Daeghlicx gaet naer het verderf. Ick leef met een half doodt leven, Vol van beven, Al mijn leven langh ick sterf.
X L I I I. Wie sal vreesen, suchten, straffen, Eens wegh schaffen Van mij Heer der Heeren goedt ? Och sij vallen mij soo banghe, Ende stranghe Smert is swaer voor vleysch en bloedt.
Cookies on Poetry Cove