Skip to content
1600

Den lvst-hof van de christelicke zielen

Jacobus Viverius

De [Claghte des Sondaers.] Och sond's baren zijn onsoet.

I I. Rvst-stede.

X I I I. Het oordeel Godes, is De tweed' afgrondt die mij quellet End' onstellet Is God's toren heet end strangh: Sijn Ghericht dat niemant sparet Mij vervaret: Het Ghericht maeckt sondaers bangh.

X I V. seer rechtveerdigh, O men moet de sonden weghen Altijdt teghen De gheen die men heeft verstoort, En daer naer de straffe draghen, Naert behaghen, Als de grootheydt toebehoort.

X V. Oneyndigh Godes Maght, Gherichte, Wesen, Hoogh ghepresen, Eeuwigh end' oneyndigh zijn; Hoe can de mensch, stof en asschen, Dan uyt wasschen De sond, of des sondes pijn ?

X V I. Seer seker, Siet ! der Vorsten heeten toren Steltmen voren, Voor des Leeuwes gramschap coen; Hoe wreet moet die gramschap wesen Die gheresen Is uyt dien God van Sioen ?

X V I I. Verschrickelick. Och mijn Ziel beghint te schromen; Ick sie comen De gheen die ick hebb' verstoort ! Ick moet met de boose beven, Hier beneven: Mijne ziel haer vonnis hoort !

X V I I I. Ras, o Ras, wilt ons verberghen, Hooghe berghen, Voor des Richters aenschijn straf ! Siet ! soo crachtigh is God's wraecke, Dat ick blaecke Eer mij God send naer het graf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.