Op de wijse van den 38. Psalm Davids. ICk wil belijden mijn' ellendt, O * Regi Vrindt, Ick ben gheboren binnen * Ghendt, Och een swack kindt. Den * Viver ende Vyncke soet Mij Broghten voort. De ghene die mij Leven doet, is nu verstoort !
God is mijnes Zieles Leven: Dus ghegheven Heeft hij mij des * Levens naem. Wat can mij den naeme baeten, Als verlaeten Vader och, wij zijn te saem ?
I I. Eer ick wel * Moeder segghen cost, Was ickse quijt: In Londen starf hij * on-verlost Die mij verblijt ! God soude mijnen Vader zijn; Jae, om te staen: Nacht ende dagh ben ick in pijn: Ick moet vergaen !
Eeuwigh * sterven sonder sterven. Troost te derven; Is dat lijdigh voor een kindt ? Dan wat commet mij te voren ? Godes Toren Brandet door der * suchten windt !
I I I. Och aen mij en is niet gesondt, Dan * druck en smert ! Mijn Ziele heeft des doodes wondt ! Siet eens mijn hert: Siet ghij daer wel de * straelen heet van een Goddin ? De ghene die mij wel doet meest * leet, Ick meest Bemin !
Godes Wijsheydt ick Beminne; Die Goddinne Eeuwigh mijn jongh herte wondt: Ock ick cusse haere * wonden T'allen stonden, Om te worden eens ghesondt !
I V. Ick daele levend' in het graf: Hier light het Kindt Dat God sijn * eerste Liefde gaf ! * Min elck verwindt ! Ghij die dit leest, Bemint den strael Die zijn hert wondt: Die in dit Leven lijdet quael, sal zijn ghesondt !
Doodt en can de Min niet dooden: * Smert, schand, nooden; Haet, schimp, nijdt, die bijten wel: De Min Levet door haer bêten ! * Haet wij eten, Om te Minnen Israel !
V. Mijn Ziele (siet !) is inde * Hel, Waer is het * Licht ? Och hier sie ick de * Draecken fel; Niet God's * Ghesicht ! Du * Helsche hondt, nu bistu blij. Om mijne smert: Ick sal oock Lachen eens met dij ! * Hert teghen hert.
Iae, wil mij dijn * tanden tooghen; Draey dijn ooghen; Siet ! Daer is het teycken * Tau ! Mijne Suster, mijn Goddinne, Mijn Vrindinne ! Sal mij helpen uyt den Rau.
V I. Mijn Ziele och verbeten is. Hier light het Lam. De boose maecken mij on-fris: God is mij Gram ! Ick hebb' noch eene * Suster soet: Och quam sij hier, Sij soude * blusschen met haer Bloet Dit helsche vier.
Suster, hier light dijnen Broeder Sonder Moeder, Sonder Vader, sonder Troost; O wil du mijn Moeder wesen, Lief ghepresen ! Siet ! Daer comt de Son van't * Oost.
Wien hoor' ick daer soo claeghen doch ? Och * bistu hier ? De sonde baeret dit ghecroch: Doch ick * blusch t'vier ! Nu, sij gherust; ick ben met dij: com laet ons gaen: Com uyt de * Helsche slaevernij. Het is ghedaen !
Dat wist ick wel, mijn Vrindinne, Dat dijn Minne Stercker was dan d'helsche gloet: Regi wilt God met mij loven: Ick vliegh boven. Als God helpt, men loven moet.
Cookies on Poetry Cove