Skip to content
1600

Den lvst-hof van de christelicke zielen

Jacobus Viverius

Op de wijse van de Enghelsche Fortuyne. DEn mondt die claeght des herten druck versacht: Dus claeght mijn ziel in desen droeven nacht. De Hel in mij, end' ick ben in de hel: Wat de hel is, ghevoel ick nu seer wel !

I I. Als mijn Goddin mij sluyt haer' ooghskens soet, Mijn Minnigh hert is in de helsche gloet. Gheen meerder hel, dan Minne onghemint: De ghen die't seght is de ghen die't bevint

I I I. Noyt mind' ick Maeght, dan om haer Wijsheydt goedt; Nochtans weet ick, dat min van vleysch en bloedt Gantsch niet en heeft bij Zieles Minne-strael: Des Zieles min verwint een hert van stael.

I V. Maer als een kindt op een Goddinne siet, En can sijn hert den strael ontvlieden niet: T'hert wordt verbrandt, het moet al nieuwe zijn: Die't heeft verblijdt; die't dervet heeft veel pijn !

V. Och veel te hoogh ick sette mijnen sin, Als ick eerst wierdt verlieft op een Goddin: Hebb' ick misdaen, Ghenae, Goddin, Ghenae: Dit vleysch en bloedt, niet mijne Ziele slae !

V I. Soo mijne min dij hijnckt, wat sal ick doen ? Die de Min' haet de minne niet moet voe'n; Maer du, Goddin [verdraeghe doch een woordt !] Met dijne Min, brenghst mijne Minne voordt.

V I I. Du bist de schuldt dat ick dij minnen moet; Hadtstu mij niet ghetoont dijn aenschijn soet; Hadtstu mij niet dijn Wijsheydt laeten sien; Van dijne Min soud' ick seer gheeren vlie'n.

V I I I. Hebstu mij niet gheraepet van de straet ? Hebstu mij niet ghelaevet vroegh en laet ? Hebstu mij niet als moeder soet ghecust ? Van dij, van dij, comt mij des Minnes lust !

I X. Dan ick weet wel waerom ick ben ghewondt: Ick ben de schuldt, ick hebb' gheleeft in sondt; Of met gheweldt heeft sond in mij gheleeft: Ick ben vercracht: de Satan sonde gheeft !

X. Heeft mij het gheldt oyt gheweest eenen Godt ? Hebb' ick met wil vertreden dijn ghebodt ? Hebb' ick een Maeght of Vrou tot schandt ghebracht ? Het doen sij verr' ick en hebt noyt ghedacht.

X I. Nochtans moet ick versmooren in mijn sondt ! Goddinne, hier, hier light den dooden hondt; Hier light den steen die door het oordeel snel Gheworpen wordt in Zieles droeve Hel !

X I I. Des niet te min, wacht ick op dijn Ghenaet: De handt die wondt can mij wel gheven baet: Ick hope noch te sien eens dijn Aenschijn: Dees helsche vloedt sal vreughdes Viver zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.