Op de wijse van den 68. Psalm Davids. Dat nu * God's Wijsheydt mijn Goddin Mijn hert doe Branden met haer Min, Een * Bruyloft sal ick Singhen; De Bruyloft van het Weerdigh Lam. Dat voor ons in de Wereld quam, Om breken doodes stringhen ! 2.O gheef mij * duysent Cuskens soet, O Wijsheydt, Son van mijn ghemoet, In Christo sal ick wesen ! Mijn * eerden Vat en is hier niet: Ick ben in Iesv Christo: (Siet !) Niet dan Christ wordt ghepresen ! 3.* Hier ben ick nu voor Godes * Throon: Men settet op mijn hoofdt de * Croon: Den * Schepter men mij ghevet: De * Balsem-Oly Heyligh-soet Langhs mijnen Baerdt men druypen doet: Dus mijne Ziele levet ! 4.* Hosanna, Coningh, zij * Ghegroet ! Dat dij nu yder val te voet ! Hosanna, * Coninghinne ! Hosanna, Coninghinnen al ! V * voet-banck zij het eerdtsche dal, Den Hemel uwe * Tinne ! 5.O Sone ! dat dij yder * Cust En op dij settet sijnes lust, Och dat is mijn begheeren ! * Cust mijnen Soon, O Heyl'ghe Stam, Op dat hij nimmermeer zij gram; Ick en sal u niet deeren,
6.Siet ! sijn * Hayr blonter is dan vlas: Sijn * Aenschijn blincket als ghelas: Sijn Ooghen zijn twee * Sonnen: Sijn voor-hoofdt is glat, wit en groot: Sijn * Wanghen blosen crieckigh-root, Het zijn des * Levens tonnen ! 7.O sijne * Lippen zijn Corael; Sijn * Tanden Iuoor sterck als stael; Sijn * Tonghe is scharlaecken: Sijn * Longhen is vol * Speceri; Sijn * Maegh is vol van * Ambrosi, Sijn hert vol * Minnigh blaecken.
Cookies on Poetry Cove