Pause.
5 God is mijn rotz, mijn burch, mijn schans,
Daer tegen heeft geen mensche kans,
Dies, wie gy sijt, wilt hem vertrouwen:
Hy sy u toevlucht in den nood,
Stort uwe herten in sijn schoot,
En het en sal u niet berouwen.
6 Wat ’s doch by menschen in’t gemeyn,
’t Sy rijck of arm, ’t sy groot of kleyn,
Als wind en ydelheyd en leugen?
Wilt gy de proef en recht bescheyd?
Weeght menschen tegen ydelheyd
Sy sullen’t licht niet haelen meugen.
7 Vertrout u niet op goed of geld
Gerooft, geruyt door snood geweld,
En komt gy eens een tijd te treffen
Dat uwen rijckdom dapper wast
Door knevelen en overlast,
Wilt u daer op niet hoogh verheffen.
8 De Heere sprack, en sey een woord,
En tweemael is’t van my gehoort:
Dat hy is sterck en groot van krachten
Dat hy barmhertigh is en goed:
Waerom een yder, na hy doet,
Van hem vergeldingh heeft te wachten.