Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

j. Pause. 5 Wat wast, dat die van Ephraim gesprooten, So fix ter boogh, so seker op haer schooten, So afgerecht op allerley geweeren, Dee in den strijt den rugh met schande keeren,

En sonder hert vlien voor den vyand heen? Sy hadden steeds des Heeren bond vertreen:

6 Sijn wil, zijn wet, zijn daeden al vergeeten, Die, nu geraeckt in’t dood-boeck en versmeeten, Niet meer in’t oogh van haer gedachten speelden, Gesien, gehoort, van ouders die haer teelden, Alwaer de Nijl van uyt het Zuyder-Oost Sich in de Zee door seven monden loost.

7 Hy kloofde’t Meyr om’t volck daer door te leyden: Hy dee van een het woeste waeter scheyden, Dat wederzijds stond als gemetste muyren; Een helder licht, als van onsteke vuyren, Was in der nacht de leydsman van sijn volck, Des daeghs gedeckt van een gestaege wolck.

8 In’t barre Woest, daer voor de drooge lippen Geen vocht en was, quam uyt gekliefde klippen Een rijcken stroom die God ter bergen afsond, En drenckte ’t volck als uyt een hollen afgrond; Een dorre rotz verkracht door sijne hand Gaf menigh beeck in het verstaefde land.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.