Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 10 Mijn mont sal steets het goed verhaelen Dat gy aen my bewijst, ’t Sy dat de Sonne rijst ’t Sy dat hy weder is aen’t daelen, Hoewel het sonder end is En my ’t getal ontkend is.

11 Ick sal met sterrende gedachten My heffen op, en treen In uwe mogentheen’ En peylen die met al mijn krachten, En die voor elck ontdecken So ver mijn macht kan strecken.

12 O God, gy hebt my onderwesen Van mijne kindsheyd aen En uwe wonderdaen Heb ick verbreydt en hoogh gepresen: Dies wilt my niet begeven Op’t krimpen van mijn leven,

13 Tot ick aen desen volcke grondigh En aen haer nae-geslacht Uw sterckt’, uw arm, uw macht En uw gerechtigheyd verkondigh; Gy gaet het al te boven, Wie kan u waerdigh loven?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.