Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Mem. xiij. 1 Hoe vierigh werd u wet van my bemint! Uw wet, die gy my altijds siet betrachten: Uw wet, daer in ick so veel wijsheyd vind Dat ick daer door mijn vyand derf verachten; Sy maeckt my sterck; mijn haeters acht ick licht Om dat sy noyt is buyten mijn gedachten.

2 Dies houd ick my al beter onderricht Als Leeraers selfs van hooge wetenschappen: Mijn meesters draef ick ver uyt het gesicht, En d’oude sien my wijd voor heenen stappen: Uw woord alleen, daer ick mijn werck af maeck, Dat brenght my tot so hooge wijsheyds trappen.

3 Waer ick my keer u woord is my een baeck, Ick volgh u wet waer dat ick heb te treden, So dat ick noyt van’t rechte pad geraeck, Noch miss’ het spoor van u gerechtigheden; Geen beter leer als gy die selver geeft, Dies ben ick noyt den dwaelwegh ingereden.

4 De soetheyd, die u wijse reden heeft, Is soeter als het zap van honighraeten Dat aen den mond en aen’t verhemelt kleeft; Daer is verstand en wijsheyd uyt te vaeten; Daer leer ick uyt, al wat in valscheyd leeft En wat bedrieght en lieght, wel dapper haeten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.