Pause. 5 Ick sey’t u niet soo my den honger neep: Want d’aerd is mijn en wat sy oyt begreep. Meynt ghy dat ick verlangh nae stiere-vleysch, Of bocken-bloed van u te drincken eysch? Looft dijnen God door danckbaerheyd gedreven: Belooft ghy yet, versuymt het niet te geven:
6 Roept dan om my als u benaeutheyt deert, Soo help ick u en houde my geeert. Dus spreeckt de Heer tot haer die hy bezint, Maer soo, tot hem, die goddeloosheyd mint: Wat spreeckt gy van mijn wetten en verbonden En hebtse staegh in uw geveynsde monden?
7 Daer doch uw hert de tucht en deughden haet En mijn gebod en leeringen versmaet. Soo yemand dieft of overspel begaet Gy loopt met hem en deelt aen sijne daed: Gy went u mont tot goddeloose reden, Uw hert tot list, uw tongh tot dubbelheden;
8 Ghy sit en spreeckt van uwen broeder quaed; ’t Is lasteringh wat uyt u lippen gaet, En meynt dat ick ben even soo, als ghy, En dat ick swijgh op uwe schelmery: Maer weet, dat ick u noch sal koomen vinden En al u doen voor u gesicht ontwinden.
9 Neemt dit in acht, ghy die uw God vergeet: Mijn roe is ree, daer niemand raed voor weet; En ghy, die my een offer-werck bereyd, Brengt my een hert ’twelck vloeyt van danckbaerheyt, En singht my lof; want dat is mijn begeeren; En ick sal u doen sien het heyl des Heeren.
Cookies on Poetry Cove