Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 4 Mijn haeters t’saem-gerot door muytery Gespannen tegens my Die momplen vast en dichten niet dan quaedt En ’tgeen my tegen gaet. O, seggen sy, een stuck van Belial Is oorsaeck van zijn val, Dat kleeft hem aen: hy leyt, hy leyt ter neer, En sal niet rijsen weer.

5 Iae oock mijn vriend, die aen mijn taefel sat En met my dronck en at, Die ick betroud’ het binnenst van mijn siel, Licht tegen my de hiel: Maer gy, mijn God, weest gy, o Heere, gy Genaedigh over my; Richt my weer op, dat ick, terwijl ick leef,

Haer loon nae wercken geef.

6 Dus was mijn klacht, en stracks betoonde gy Uw lief de tegens my, Soo dat als noch geen vyand om mijn val Van vreughde juychen sal, Want uwe hand is tot mijn hulp bereyd Om mijn’ oprechtigheyd, Uw hand heeft my, Heer, voor uw aengesicht Herstelt en opgericht.

7 Gedanckt sy God met sangh en snaeren-spel; Dien God, die Israel Heeft uyt het huys der slaeverny geleyd, Sy lof in eeuwigheyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.