Pause.
4 Mijn haeters t’saem-gerot door muytery
Gespannen tegens my
Die momplen vast en dichten niet dan quaedt
En ’tgeen my tegen gaet.
O, seggen sy, een stuck van Belial
Is oorsaeck van zijn val,
Dat kleeft hem aen: hy leyt, hy leyt ter neer,
En sal niet rijsen weer.
5 Iae oock mijn vriend, die aen mijn taefel sat
En met my dronck en at,
Die ick betroud’ het binnenst van mijn siel,
Licht tegen my de hiel:
Maer gy, mijn God, weest gy, o Heere, gy
Genaedigh over my;
Richt my weer op, dat ick, terwijl ick leef,
Haer loon nae wercken geef.
6 Dus was mijn klacht, en stracks betoonde gy
Uw lief de tegens my,
Soo dat als noch geen vyand om mijn val
Van vreughde juychen sal,
Want uwe hand is tot mijn hulp bereyd
Om mijn’ oprechtigheyd,
Uw hand heeft my, Heer, voor uw aengesicht
Herstelt en opgericht.
7 Gedanckt sy God met sangh en snaeren-spel;
Dien God, die Israel
Heeft uyt het huys der slaeverny geleyd,
Sy lof in eeuwigheyd.