Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 7 Gelijck sijns kinds een vaeder komt t’ontfermen Als’t sich vergrijpt, so wil sich God erbermen Des vroomen mans en wie dat hem ontsiet: De deur sijns gunsts staet op voor die hem vreesen, Hy ken en weet ons maecksel en ons weesen, Dat wy sijn stof en weynigh meer als niet.

8 Wat is van ons, wat sijn der menschen daegen? Een wassend gras dat haest werd neer geslaegen, Een bloem in ’t veld van heugelijcken schijn: Maer laet den tijd een weynigh meer verspaeyen En over gras en bloem de winden waeyen, Men weet haest niet waer sy gebleven sijn.

9 Maer anders is het met de gunst des Heeren, Die duyrt altijd voor alle die hem eeren En gaet van ’teen op ’t ander nae-geslacht; Sijn liefde sal noyt over die verkouwen Die sijn verbond en sijn geboden houwen, En die sijn woord betrachten dagh en nacht.

10 God heeft sijn Throon ter Hemelen gestichtet, Hy voert de staf die’t al beheerscht en richtet, Sijn koninckrijck, sijn stoel, sijn kroon staet vast. Komt looft den Heer en wilt sijn eer vermelden Gy Engelen, gy stercke Hemel-helden, Die op sijn woord en sijn bevelen past

11 Komt, looft den Heer gy sijne leger-schaeren, Gezwinde boon, gewillige dienaren, Die ’tal verricht wat dat hem wel geviel. Looft, looft den Heer, gy wercken sijner handen,

So ver sijn rijck streckt over luy en landen; Looft God voor al mijn’ hoog-verplichte ziel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.