Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 4 O God, uw gunst en al het goed Dat ghy ons deed, en dat ghy doet, Gedencken wy met danckbaerheden

Als wy ter Tempel sijn getreden. Uwen naem werd wijd vermaert Tot het uyterst van der aerdt, En uw eer en roem die klincken Soo ver alsser sterren blincken. Heer, in al u doen en wercken Is rechtvaerdigheyd te mercken.

5 Dat Sion sy verheught en bly, Komt Iudahs Dochters, komt mee by En helpt met ons de vreughd vermeeren Om de gerichten onses Heeren. Wilt rondsom om Sion gaen, Telt de toorens dieder staen, Slaet uw oogen op haer wallen, Laets’ op haer palleysen vallen, Dat door u de naegebooren Haere schoonheyd mogen hooren.

6 Want onse God, en anders geen, Is God in alle eeuwigheen, Hy sal ons by-sijn en versellen Tot dat de dood ons neer sal vellen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.