v. Pause.
19 Sy hebben, so haer was belast,
Den volckeren niet aengetast
En spaerden die sy mosten dooden;
Men heeft met heydnen omgegaen,
Haer quaed gevolght, en voor de Goden
Der vreemdelingen dienst gedaen.
20 De Duyvel heeftse by de krop:
Sy offren hem haer kindren op,
Onnoosel bloed werdt nu vergooten
Den beelden Canaans ter eer,
Men kapt en tapt uyt hals en stroten,
En ’tauter roockt van ’toffer-smeer.
21 De aerd, ontheylight door het nat
Dat uyt onschuldig’ aeren spat,
Dronck sig aen sulcken grouwel droncken;
Haer doen was vuyl aen alle kant,
So dat voor God haer wercken stoncken
Van geestelijcke hoere-schand.
22 Des raeckt Gods gramschap in de vlam
En ’tvolck dat hy ten erfdeel nam
Was nu een grouwel in sijn oogen;
Hy leverts’ in der heydnen macht
So dat sy heerschen met vermogen
Op dit, wel eer so lief, geslacht.