Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

v. Pause. 19 Sy hebben, so haer was belast, Den volckeren niet aengetast En spaerden die sy mosten dooden; Men heeft met heydnen omgegaen, Haer quaed gevolght, en voor de Goden Der vreemdelingen dienst gedaen.

20 De Duyvel heeftse by de krop: Sy offren hem haer kindren op, Onnoosel bloed werdt nu vergooten Den beelden Canaans ter eer, Men kapt en tapt uyt hals en stroten, En ’tauter roockt van ’toffer-smeer.

21 De aerd, ontheylight door het nat Dat uyt onschuldig’ aeren spat, Dronck sig aen sulcken grouwel droncken; Haer doen was vuyl aen alle kant, So dat voor God haer wercken stoncken Van geestelijcke hoere-schand.

22 Des raeckt Gods gramschap in de vlam En ’tvolck dat hy ten erfdeel nam Was nu een grouwel in sijn oogen; Hy leverts’ in der heydnen macht So dat sy heerschen met vermogen Op dit, wel eer so lief, geslacht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.