j. Pause. 5 Dies sullen wy u altijts roemen Soo langh men dagh en uyr sal noemen, Uw naem sal eeuwigh zijn gelooft, Uw eere nimmermeer verdooft. Doch nu zijn wy in schand gestelt En als verstooten van uw oogen; Wy brachten ’t leger wel te veld, Maer gy en waert niet mee getoogen.
6 Gy hebt ons weer te rugh doen wijcken, Ons Krijghs-luy zijn geworden lijcken, Ons vyand heeft gerooft, geruyt, En al het ons gemaeckt tot buyt: Gy hebt ons, Heer, ter banck gebracht Als arme schaepen om te slachten, Wy zijn verstrooyt, en in de macht Der Heydenen, die u verachten.
7 Gy laet u dierbaer volck verkoopen Voor kleyne prijs met groote hoopen, Voor weynigh gelds een mensche-kop, En steeckt geen winst of voordeel op; De smaed der buyren is ons lot, Ons aensicht derven wy niet toonen, Wy zijn een hoon, een schimp, een spot Der gener die rondsom ons woonen.
8 Wy loopen, onder die ons haeten, Voor ’t spreeck-woord over steegh en straeten, En’t volck dat aen u niet gelooft
Dat lacht ons uyt en schut het Hooft. Mijn schand’ is voor my al den dagh Dewijl ick ben van u verstooten; Ick ben beschaemt, soo veel ick magh, Mijn voor-hooft derf ick niet ontblooten.
9 Want waer ick wend mijn oogh’ en ooren, Het lastren moet ick sien en hooren: ’t Is niet dan wraeck, en spijt en smaed Wat uyt mijns vyands lippen gaet. Dit is ons over ’t hooft gegaen: Noch hebben wy u niet vergeten, Noch tegen eer en eed gedaen, Noch trouwloos uw verbond versmeten.
Cookies on Poetry Cove