D.
De wereld leeft als wasser God noch Wet.14.
De Heem’len seggen uyt.19.
De Heer will’ uw gebedt verhooren.20.
Des boosen goddeloosheyd doet.36.
De Heere spreeckt en roept voor zijn gericht.50.
De wereld leeft als wasser God noch Wet.53.
Doe, Heer, op ons uw gunste daelen.67.
De Heydnen, Heer, gevallen in uw landen.81.
Daer in’t gestoelte zijn geseeten.81.
De waerheyd port mijn geest te zingen uwen lof.89.
Die sich in Gods bewaeringh geeft.91.
De Heere heerscht als Koningh wijd en breed.93.
Dus sprack de Heer tot mijnen Heer voor desen.110.
Doe Israel toogh uyt Egypten-land.114.
Doe God zijn volck uyt strick en band.126.
Doe wy wel eer nae Babel wegh genomen.137.
Den Heer zy lof: want hem te zingen.147.