Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iij. Pause. 12 Men denckt om syn verlosser niet, De wercken, over haer geschiedt So groot en veel, zijn haer ontgleden: Wat dat God in Egypten dee (Daer sy de slavernye leden) Wat wondren aen de roode Zee.

13 Des sprack hy met een grammen moed, Dit volck dat so veel boosheyd doet Sal ick verdelgen en vernielen: En ’twaer geschiedt, so door’t gebedt De straf van so veel duysend zielen Van Moyses niet en was verset.

14 Het lustigh land, haer toegeseyt, Versmaen sy met ondanckbaerheyd, Het muytend volck heeft oogh noch ooren; Gods woorden vinden geen geloof, Men mort en wil noch sien noch hooren,

En voor sijn stem is’t alles doof.

15 Des hief hy tegen haer sijn hand En zwoer, dat hy in’t woeste land De muyters souw ter neder vellen, En haer alom-verstroyde zaed In handen van den heydnen stellen Tot straf van het begangen quaed.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.