iij. Pause.
12 Men denckt om syn verlosser niet,
De wercken, over haer geschiedt
So groot en veel, zijn haer ontgleden:
Wat dat God in Egypten dee
(Daer sy de slavernye leden)
Wat wondren aen de roode Zee.
13 Des sprack hy met een grammen moed,
Dit volck dat so veel boosheyd doet
Sal ick verdelgen en vernielen:
En ’twaer geschiedt, so door’t gebedt
De straf van so veel duysend zielen
Van Moyses niet en was verset.
14 Het lustigh land, haer toegeseyt,
Versmaen sy met ondanckbaerheyd,
Het muytend volck heeft oogh noch ooren;
Gods woorden vinden geen geloof,
Men mort en wil noch sien noch hooren,
En voor sijn stem is’t alles doof.
15 Des hief hy tegen haer sijn hand
En zwoer, dat hy in’t woeste land
De muyters souw ter neder vellen,
En haer alom-verstroyde zaed
In handen van den heydnen stellen
Tot straf van het begangen quaed.