Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 8 Hy sal in grammen moed

De Goddeloose doen te niet Dat geen geheughnis overschiet Van haer noch van haer bloed. Die roept die werd verhoort; Is hy benaut: hy werd verlost; Lijd hy gebreck: hy krijgt de kost; Die zwack is werd geschoort.

9 Geen hoogmoed hem behaegt: Maer al wie hem ontsiet en vreest, En een gebroocken hert en geest In zijnen boesem draegt. Als harde tegenspoet Somtijts op d’aerd den vromen druckt Hy werter weder uytgeruckt, God helpt hem weer te voet.

10 Den goeden slaet hy gae Dat haer geen ramp of onheyl deer Noch aen gebeent’ of vleesch verzeer, Noch haere leen beschae. De dood is ’tloon van’t quaed Dies sal de boose-wicht vergaen En voor Gods oordeel niet bestaen Die zijne heylgen haet.

11 De mensch is wel beraen Die God dient als een trouwen knecht En op hem bouwt, want in het recht Sal hy niet schuldigh staen

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.