Cheth. viij.
1 Uw wil te doen dat koos ick voor mijn erf,
Mijn deel, mijn lot: uw woord sal ick bewaeren,
Maer dat ick doch uw hulpe niet en derf;
Ick bad, en bid, wilt mijn verstand verklaeren,
Weest my, o Heer, genaedigh nae uw woord,
En wilt uw wet my grondigh openbaeren.
2 Ick heb by my mijn wegen afgespoort
En overdacht hoe dat ick had te leven:
Uw woord, dat my de sinnen heeft bekoordt,
Wees my het pad daer ick my op most geven,
Ick voelde my (so ick oock heb gedaen)
Tot onderhoud van uwe wet gedreven.
3 Een godloos volck quam my met listen aen
En socht my van uw wegen af te leyen,
Doch ick en liet my van haer niet verraen.
Ick ben van ’t bed des middernachts gescheyen
Om danck te doen voor u gerechtigheen:
Van’t sachte bed, daer ons de pluymen vleyen.
4 Die ick begae, en die my mee betreen
Sijn luyden, Heer, die u ontsien en eeren,
Ick ben met haer, en sy met my gemeen,
By anders geen en siet men my verkeeren;
’t Voelt al uw gunst wat datter leeft: alleen
Wil my, o God, uw wet te degen leeren.