Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Cheth. viij. 1 Uw wil te doen dat koos ick voor mijn erf, Mijn deel, mijn lot: uw woord sal ick bewaeren, Maer dat ick doch uw hulpe niet en derf; Ick bad, en bid, wilt mijn verstand verklaeren, Weest my, o Heer, genaedigh nae uw woord, En wilt uw wet my grondigh openbaeren.

2 Ick heb by my mijn wegen afgespoort

En overdacht hoe dat ick had te leven: Uw woord, dat my de sinnen heeft bekoordt, Wees my het pad daer ick my op most geven, Ick voelde my (so ick oock heb gedaen) Tot onderhoud van uwe wet gedreven.

3 Een godloos volck quam my met listen aen En socht my van uw wegen af te leyen, Doch ick en liet my van haer niet verraen. Ick ben van ’t bed des middernachts gescheyen Om danck te doen voor u gerechtigheen: Van’t sachte bed, daer ons de pluymen vleyen.

4 Die ick begae, en die my mee betreen Sijn luyden, Heer, die u ontsien en eeren, Ick ben met haer, en sy met my gemeen, By anders geen en siet men my verkeeren; ’t Voelt al uw gunst wat datter leeft: alleen Wil my, o God, uw wet te degen leeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.