j. Pause. 5 Ick ben in het stof geseten Daer ick asch als brood moet eeten Daer mijn dranck gemengelt word Met de traenen die ick stort; Om dat ick de harde slaegen Van u gramschap heb te draegen, Want gy hebt my eerst verheven En daer nae ter neer gedreven.
6 Mijne daegen sijn als schaeuwen Die verdunnen en verflaeuwen, Ick versmelt gelijck het was, Ick verdor gelijck het gras: Maer gy, Heer, sult eeuwigh duyren, Gy en eyndight door geen uyren, Gy sult leven in gedachten Van geslachten tot geslachten.
7 Gy sult eens met open armen Over Syon u ontfarmen, En ontwaecken voor de Stad Die gy u verkooren had; Want, o Heer, het werd al spaede, En den tijd van uw genaede En het uyr is al gekoomen, Zijt gedachtigh aen den vroomen.
8 Yver isser in uw knechten Om dijn Tempel op te rechten, Om dijn omgeworpen huys
Te doen rijsen uyt sijn gruys; Dan en salder niemand wesen Die niet uwen naem sal vreesen: By den Koningen der aerde Sal hy sijn in eer en waerde,
9 Alsmen weder aen sal schouwen Dat gy Syon hebt herbouwen En uw heerlijckheyd en licht Siet in’t heylige Gesticht; Als gy u tot ons sult wenden En een end maeckt van ellenden, En sult helpen die in nood sijn En van uwen troost ontbloot sijn.
Cookies on Poetry Cove