Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

j. Pause. 5 Ick ben in het stof geseten Daer ick asch als brood moet eeten Daer mijn dranck gemengelt word Met de traenen die ick stort; Om dat ick de harde slaegen Van u gramschap heb te draegen, Want gy hebt my eerst verheven En daer nae ter neer gedreven.

6 Mijne daegen sijn als schaeuwen Die verdunnen en verflaeuwen, Ick versmelt gelijck het was, Ick verdor gelijck het gras: Maer gy, Heer, sult eeuwigh duyren, Gy en eyndight door geen uyren, Gy sult leven in gedachten Van geslachten tot geslachten.

7 Gy sult eens met open armen Over Syon u ontfarmen, En ontwaecken voor de Stad Die gy u verkooren had; Want, o Heer, het werd al spaede, En den tijd van uw genaede En het uyr is al gekoomen, Zijt gedachtigh aen den vroomen.

8 Yver isser in uw knechten Om dijn Tempel op te rechten, Om dijn omgeworpen huys

Te doen rijsen uyt sijn gruys; Dan en salder niemand wesen Die niet uwen naem sal vreesen: By den Koningen der aerde Sal hy sijn in eer en waerde,

9 Alsmen weder aen sal schouwen Dat gy Syon hebt herbouwen En uw heerlijckheyd en licht Siet in’t heylige Gesticht; Als gy u tot ons sult wenden En een end maeckt van ellenden, En sult helpen die in nood sijn En van uwen troost ontbloot sijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.