Pause. 6 Gy had de heydenen verdreven Om dijnen wijngaert plaets te geven Die gy braght uyt Egypten-land, En hebt hem in het best geplant Daer hy sijn wortels heeft verbreyt En sijne rancken uytgespreyt,
7 So dat sijn schaduw ’t veld bedeckte En hy sijn weelig’ armen reckte Gelijck het groote Ceder-hout Dat sijne tacken breed ontvout, En wijd en sijd sijn looten schoot Tot daer de Zee den oever stoot.
8 Waerom hebt gy sijn tuyn gebroocken Dat hem een yder komt bestoocken, En aen den wegh sijn druyven pluckt,
Dat hem het zwijn om verre ruckt, Dat sijne vruchten sijn gestelt Ten roof der dieren van het veldt?
9 O groote God der leger-schaeren Wilt doch het over-schot bewaeren Des wijnstocks die gy hebt geplant; Beschermt het door u rechter-hand, En neemt de loot in uw behoed Van u gequeeckt en aengevoed.
10 Dat sy niet voorts en werd geschonden En van het vyer dijns toorns verslonden Indien uw gramschap langer brandt; Wend niet uw gunst, uw hulp, uw hand Van dijnen uytverkooren held Daer gy u sin hebt op gestelt:
11 Soo sullen wy u niet begeven. O God, behoud ons in het leven! So sullen wy u roepen aen En nemmer weerom van u gaen: Herbrenght ons uyt de slaeverny, Uw aenschijn licht’, en wy zijn vry.
Cookies on Poetry Cove