Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Iod. x. 1 Gy schiept my, Heer, door uw vermoogen’ hand. Ick wierd een mensch: maer om uw wet te leeren Verlicht mijn geest en heldert mijn verstand; So sullens’ al, die u ontsien en eeren (Om dat ick my vast op uw woord verliet) Haer oogh op my met grooter vreughde keeren.

2 ’t Was enckel recht (en ick ontken het niet) Wat kruys en ramp gy over my liet koomen: Dat uwe tucht om best-wil is geschiedt Dat weet ick wel, en hebt daer voor genoomen: Maer laet oock nu, nae uw genaedigh woord, My uwe troost en goedheyd overstroomen.

3 Weert van my af al wat mijn wel-zijn stoort, Ontfermt u mijns, en ick sal weder leven,

Want van u wet werd mijne ziel bekoort. Brengh al ter schand, wat trots en opgeheven Van hovaerdy, met leugens my verraedt: En ick sal my tot u bevelen geven.

4 Dan sal, o God, al wie de boosheyd haet, Al wie u vreest, wie oyt u wetten kenden Wanneer sy sien hoe wel ’t uw dienaer gaet Op my het oogh en haer gedachten wenden; Geef dat mijn hert zy oprecht in der daed Op dat met reen my niemand koom te schenden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.