j. Pause. 5 Een dichte nacht verborgh hem voor de volcken; Van nevelen, van wateren en wolcken Was sijne tent, tot dat een helder licht Het duyst’re kleed schoof van sijn aengesicht, En dreef de mist en zwarte wolcken heenen Mit blixem, windt, en jacht van haegelsteenen; De donder, die de toorens storten doet, Was Godes stem, met buyen, vier en gloed.
6 De Heere schoot zijn pijlen en verjoeghse, Hy blixemde van boven en versloeghse, Men sagh de grond van Zee en stroomen bloot, Wijl’t water uyt sijn holle kolcken schoot, Het Aerdrijck scheurd, en opende den afgrond Door kracht des winds die sijne gramschap afsond; Doch sijne hulp quam van den Hemel af, Hy reyckte toe, en trock my uyt het graf.
7 Hy greep my uyt mijn stercke vyands handen Die tegens my haer felle booghen spanden; Ick wierd ten dagh mijns ongevals ontmoet: God steunde my en schoorde mijnen voet; Ick was beset: hy maeckte dat ick vry sat, Bracht my in’t ruym om dat hy lust in my had; Hy dee my recht, want mijne saeck was goed, Mijn handen reyn en suyver mijn gemoed.
8 Want ick heb staegh des Heeren pad getreeden
Ick ben van hem niet trouloos afgeschreeden, Sijn wil, sijn wet was steeds voor mijn gedacht, Noyt heb ick die verstooten noch veracht; Ick was oprecht in wercken en in reeden, Ick wachte my van ongerechtigheden, Dies heeft my God vergolden en gericht Nae dat ick reyn was voor sijn aengesicht.
Cookies on Poetry Cove