Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Koph. xix. 1 Ick heb tot u geroepen, Heere, hoor, Hoor, Heer, en ick sal uw geboden houwen, En wandelen op’t rechte deughden-spoor: Noyt sal in my dat yver-vyer verkouwen. Ick bad en riep, o God, behoude my En ick en sal in wel-doen niet verflouwen.

2 Met traenen kom ick u des morgens by Eer dat de Son den slaeper komt verrasschen, Terwijl den dauw met sprencklen blanck en bly Het gras en kruyd komt in den uchtend wasschen; Oock is u wet mijn onderhoud by nacht Als op sijn wacht de waecker heeft te passen.

3 Neygh, goede God, tot mijn bedroefde klacht Een gunstigh oor, op dat ick magh verquicken

En door u woord ten leven werd gebracht. Die my van ver beloeren en bemicken (Een volck dat van u wetten niet en houdt) Die naedren my met doodelijcke stricken.

4 Maer gy, o Heer, op wien ick heb gebouwt, Sijt oock niet ver, nae u getuygenissen, Die niet verlaet den man die u vertrouwt. Ick spreecke niet nae duncken of nae gissen, Maer weet het wel, en ’tis by my al oudt, Dat in u woord gy nimmermeer sult missen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.