Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Teth. ix. 1 Doe, Heer, aen my, aen uwen dienaer, goed, Gedenck dijns woords daer ick my op vertrouwe, Uw leer doorstrael mijn yverigh gemoed Dat ick daer van een goeden sin behouwe, En mijn geloof u tot een teycken zy Dat ick mijn heyl op uw genaede bouwe.

2 Als ’t andren gaet so dee het oock met my: Ick gingh al mee met al de wereld doolen So langh ick was van kruys en lijden vry: Maer als ick wierd getucht in haere schoolen So merckt’ ick op, en viel u, Heer, te voet:

Doe my verstaen het geen gy hebt bevolen.

3 Hoovaerdige, vol trots en windigh bloed, Die hebben my met leugens willen schaeden, Maer uwe wet stond vast in mijn gemoed; Sy sijn gelijck een beest, met vet gelaeden, Dat weeld’ en rust vindt in sijn smeer en smout, Maer uwe wet kan my alleen verzaeden.

4 Hoe goed was ’t my dat ick my vont benout! Geen beter school, als ’t kruys, om deugd te leeren. Dat is’t dat ons in band en omsien houdt. ’t Schijnt wat te zijn veel rijckdoms te beheeren, Maer uwe wet is beter als het goud: Ick sou daer voor geen goed noch schat begeeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.