Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

j. Pause. 4 Hy heeft de zee en woeste stroomen In eenen afgrond t’saem vergaert En als op eenen hoop doen koomen En in een schat-kist dicht bewaert. Laet hem alles vresen Watter sy in wesen

Wie op aerde woon; Dat elck, dien het leven Is van hem gegeven, Sich ootmoedich toon.

5 Wanneer hy spreeckt, op zijnen woorde Geschiet het al wat hy gebied, Het staeter strax, gelijck ’tbehoorde, ’tIs al gereed, daer mangelt niet. Wat de Heydnen buyten Sijnen wil besluyten Maeckt hy vruchteloos, En al haer gedachten Hebben klem noch krachten, ’tIs al vaets en voos.

6 Maer Godes raed sal eeuwigh duyren, Bestendigh ist wat hy besluyt, Geen tijd, geen eyndloos tal van uyren Wischt dat uyt zijn gedachten uyt Saligh zijn ter deegen Die den Heer gekreegen Hebben tot haer God, Die hy heeft verkooren Die hem toebehooren Als zijn erf en lot.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.