j. Pause. 5 Mijn tongh, en watter is in my Sal seggen, Heer, wie is als gy? Wie isser uws gelijck in wercken? Gy redt den zwacken van den stercken: Den armen, van die hem verdruckt En rooft en plundert, pluyst en pluckt; O Heere, help; men tyght my aen ’tGeen ick niet weet, noch heb gedaen.
6 Met quaed vergelden sy het goed, Voor weldoen soecken sy mijn bloed, Daer ick in haer ellendigheden Sat met een sack om mijne leeden, Ick heb om haeren ’twil gesucht,
Gebeen, gevast, mijn vleesch getucht, Met haer verkeert gelijck een vrind En als mijn eygen broer bemind.
7 Ick gingh in’t zwart en neer gebuckt Als dien de rouw zijns moeders druckt. In tegendeel, als het gebeurde Dat ick in droefheyd was en treurde, Sijn sy verblijt, hoewel ’tgelaet Was heel verscheyden van de daedt; Ick merckte’t niet in mijn verdriet: Sy scheurden ’tkleed, en meendent niet.
8 Sy hebben over my geknerst Op hare tanden, en gescherst By huychelaers en Taefel-vrinden: Wat toeft ghy, Heer, om haer te vinden? Hoe langh lust u dit aen te sien? Wilt my dyn hand en hulpe bien, En brengh mijn siel uyt het verderf Dat ick niet van die Leeuwen sterf.
Cookies on Poetry Cove