Beth. ij.
1 Hoe houdt de jeught haer wegen onbesmet,
De losse jeught, in glibberige jaeren?
Wanneer men wel op uwe wetten let
So sal men sich voor’t vallen best bewaeren.
Ick soeck u, Heer, ick soeck het rechte pad,
Bewaer my voor het dwael-spoor in te vaeren.
2 Ick heb uw woord, gelijck een waerde schat,
In mijne ziel sorghvuldigh opgeslooten,
Maeckt dat op my de sonde niet en vat
Op dat ick van u niet en werd verstooten;
Leer my uw wet dat ickse recht verstae
En wilt in my haer kennis steeds vergrooten.
3 Ick heb uw woord verkondight vroegh en spae,
Ick heb uw recht verborgen noch verzwegen
Maer spreecker af waer dat ick keer of gae;
’k Heb my verblijdt in’t vinden uwer wegen,
’k Heb my verheught in uw getuygenis
Meer of ick goudt of rijckdom had verkregen.
4 Ick sal in als dat van u rechten is
My oeffenen, en vlijtigh op gaen mercken,
Op dat ick niet in uwe kennis mis;
Uw wet sal my verlustigen en stercken,
So dat mijn geest sal wesen bly en fris
En noyt sal ick vergeeten uwe wercken.