Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 12 Doet uw monden op, Opent vry uw kaecken, ’k Sal u keel en krop, En u buyck en maegh (Hoe gescherpt en graegh) Vol van spijse maecken.

13 Maer mijn volck was staegh Tegen my aen’t meuyten, Om te luystren traegh: En in haer gemoed Kon den overvloed Genen wrevel steuyten.

14 Dies gaf icks’ oock op Aen haer harde monden

En haer steege kop, Om te setten gangh Buyten toom, of dwangh, So sy’t selfs verstonden.

15 Och had Israel Lust in my gekregen! Alle dingh waer wel, Had mijn volck gehoort Nae mijn wil en woord En gegaen mijn wegen!

16 ’k Had gebracht eer langh Haere weer-partyen Tot den ondergangh, En mijn hand gekeert Met het zeegbaer zweert Om voor haer te strijen.

17 Die mijn vyand sijn Hadden sich begeven Onder my, uyt schijn, En den Isralijt Had ick t’aller tijdt Doen in weelde leven.

18 ’k Had haer door het best Van den tarw doen groeyen En met blom gemest: Om haer sat te voen Had ick honigh doen Uyt de rotsen vloeyen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.