ij. Pause. 9 Aen uwen gunst-genoot, die u was lief en waerd, Aen eenen heyligen hebt gy geopenbaert En in een diep gesicht tot hem geseyt voor desen: Ick heb tot eenen Vorst en Koningh uyt gelesen Een held, dien ick mijn trouw en bystand heb gezwooren En midden uyt het volck verhoogt en uytverkooren.
10 ’k Heb David mijnen knecht gesalft met heyligh smout En over Israel den scepter toe vertrout: Mijn hand sal met hem sijn; men sal mijn sterckte proeven Wanneer hy mijnen arm ter hulpe sal behoeven. Geen heymelijck verraedt sal tegens hem gelucken, Geen boos wicht met geweld, sal hem ter neder drucken.
11 Ick sal voor sijn gesicht sijn haeters doen vergaen En sijne weerparty den kop aen stucken slaen; Noyt sal hem mijne trouw, noyt mijne gunst ontbreken, Hy sal in mijnen naem sijn hooft om hooge steecken: Ick sal hem tot de zee sijn scepter uyt doen strecken En sijn gesegent Rijck tot aen de stranden recken.
12 Gy, sal hy seggen, sijt mijn Vader, God en Heer, De rotzsteen van mijn heyl, de spring-aer van mijn eer; Oock sal hy sijn mijn soon, de eerst van my gebooren, Ten hooghsten boven al de Koningen verkooren: Noyt sal mijn hert van hem, noyt mijne liefde wijcken
En mijn verbond met hem sal nemmermeer bezwijcken.
Cookies on Poetry Cove