j. Pause.
5 Ick sal my in uw gunst verblyden;
Mijn ziele vleugel-spreyt
In uwe goedigheyd,
Want gy aensaeght my in mijn lijden,
En hebt my waer genoomen
In ellends bange stroomen.
6 Oock heeft uw hand my niet gelaeten
In ’sVyands sterck geweld,
Gy hebt my vast gestelt
En weer gevoert op ruyme straeten,
So dat ick my kon reppen
En vry mijn aessem scheppen.
7 Weest my genaedigh als voor heenen,
Want my is harde bangh,
Mijn hert is in een prangh,
Mijn vleesch is wegh, mijn buyck verdweenen,
Geen glans is in mijn oogen,
Mijn spier en pit verdroogen.
8 De droefenis verkort mijn jaeren,
Mijn leven krimpt van smert,
Van suchten smelt mijn hert,
Gestaege sorgh vergrijst mijn haeren,
Mijn kracht vergaet door ’tsteenen,
Geen mergh is in mijn beenen.