Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 7 Ter heemlen is de Heer geseeten Van waer hy siet de wereld aen Wat dat de menschen haer vermeeten, Wat sy al doen en onderstaen. Sijner oogen straelen Laet hy neder daelen

Op het aerdsch geslacht Om op yders wercken Van om hoogh te mercken Wat hy poogt en tracht.

8 Geen menschen kunnen God bedriegen: Hy heeft haer herten selfs gemaeckt. Hoe souw het werck zijn schepper liegen? By hem wert alle schijn gewraeckt. Dat sich niet verlaeten Koningen en Staeten Op haer heyr en macht; Sterck gewricht van ermen Kan geen Held beschermen Door zijn eygen kracht.

9 Geen deughd van afgerechte Rossen Hoe stijf van rugh, hoe vast te been, Kan van de dood zijn man verlossen Hoe fix te paerd, hoe wel bereen: Maer des Heeren oogen Sijn van groot vermoogen Over al de geen Die zijn wil betrachten En wel vlytigh wachten Op zijn goedigheen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.