ij. Pause.
7 Ter heemlen is de Heer geseeten
Van waer hy siet de wereld aen
Wat dat de menschen haer vermeeten,
Wat sy al doen en onderstaen.
Sijner oogen straelen
Laet hy neder daelen
Op het aerdsch geslacht
Om op yders wercken
Van om hoogh te mercken
Wat hy poogt en tracht.
8 Geen menschen kunnen God bedriegen:
Hy heeft haer herten selfs gemaeckt.
Hoe souw het werck zijn schepper liegen?
By hem wert alle schijn gewraeckt.
Dat sich niet verlaeten
Koningen en Staeten
Op haer heyr en macht;
Sterck gewricht van ermen
Kan geen Held beschermen
Door zijn eygen kracht.
9 Geen deughd van afgerechte Rossen
Hoe stijf van rugh, hoe vast te been,
Kan van de dood zijn man verlossen
Hoe fix te paerd, hoe wel bereen:
Maer des Heeren oogen
Sijn van groot vermoogen
Over al de geen
Die zijn wil betrachten
En wel vlytigh wachten
Op zijn goedigheen.