Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause. 6 Ick ken my selven net, Onschuldigh, onbesmet, Mijn handen heb ick reyn en klaer, En derf vrymoedigh treden Met onverschrickte schreden Tot uwen heyligen autaer

7 Om daer met danckbaerheyd ’tLof uwer Majesteyt Voor u gemeynt te roepen uyt En doen voor yders ooren Vw wonderwercken hooren

Door sangh en spel van harp of luyt.

8 O Heer, ick stel mijn sin Met yverige min Op’t heyligh huys daer hy in woont; Ick heb in hooger waerde De plaets, daer ghy op aerde Uw heerlijckheyd aen ons vertoont.

9 Och, dat ick niet en raeck Om ’tleven, als uw wraeck Sich eens ter straf der boosen spoedt; Wilt my niet heenen rucken Met die de goe verdrucken En dorsten na onschuldigh bloed:

10 Die staegh met ziel en lijf Tot schandelijck bedrijf Tot roof en moorden reede staen, Wiens handen voor geschencken Om ’trecht te helpen krencken Tot schae der vroomen open gaen.

11 Maer anders is uw knecht, Mijn wandel is oprecht En ver van alle guytery, Dies neygt na u mijn ooren, Wilt my genadigh hooren En maeckt my van mijn haeters vry.

12 Als ick op effen velt Sal eenmael zijn gestelt En buyten nood van glippen stae, Sal ick den Heere singen In de vergaderinghen Dat ick soo wel en seeker gae.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.