Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

j. Pause. 4 O God, wy hebben ons ontgaen: Ons’ Ouders hebben ’tmee gedaen: Wy hebben, en oock zy gesondight: Op uw so menigh wonderwerck Van haer gesien, of haer verkondight, En naemen sy noch oogh noch merck.

5 Gedachtigh sijn sy niet geweest Der deughden die gy haer beweest, Maer raeckten op den tocht aen’t meuyten, Doen haer, vervolgt van Pharoos heyr,

Het waeter scheen te sullen steuyten, Het waeter van het roode Meyr;

6 Doch hebt gys’ om uw eer bewaert En dus uw macht geopenbaert: Men sloegh de Zee en zy verdrooghde, Het volck gingh door den afgrond heen, De hand, die haer te krencken pooghde, Wierd van des Heeren overstreen.

7 Die hilp haer uyt des vyands macht Die nu versoopen en versmacht Drijft door de zee met ros en waegen; Doe sagh den wederspanner wel Dat hy sijn God geloof most draegen, Des looftmen hem in Israel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.