Pause
5 Heyl-rijcke God, wilt u dijns volx erbermen
Om uwen naem voor laster te beschermen;
Steuyt het gespot der onbeschofte monden
En scheld ons quijt de schuld en straf der sonden.
Lijd gy dan, dat men tot
Ons seg: waer is uw God?
Dat hy sich koom vertoogen:
Neemt over dit gebroed
Wraeck van’t vergooten bloed
En slaetse voor ons oogen.
6 Hoor nae’t gekerm en suchten der gevangen
Die nae u troost in haren nood verlangen,
Verlostse, Heer, die tot de dood verwesen
Van dagh tot dagh voor ’t laetste moord-uyr vresen.
Vergeld de schimp en smaed
Met straffen sonder maet
Op’t hooft van onse buyren,
En doet haer dese spot,
O alderhooghste God,
Wel sevenvoudt besuyren.
7 So sullen wy, die tot u schaeps-koy hooren,
Die gy uyt min hebt tot u volck verkooren,
Uw erf, uw lot, de lamm’ren uwer weyden,
Van stam tot stam uw roem en eer verbreyden.