Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Pause 5 Heyl-rijcke God, wilt u dijns volx erbermen Om uwen naem voor laster te beschermen; Steuyt het gespot der onbeschofte monden En scheld ons quijt de schuld en straf der sonden. Lijd gy dan, dat men tot Ons seg: waer is uw God? Dat hy sich koom vertoogen: Neemt over dit gebroed Wraeck van’t vergooten bloed En slaetse voor ons oogen.

6 Hoor nae’t gekerm en suchten der gevangen Die nae u troost in haren nood verlangen, Verlostse, Heer, die tot de dood verwesen Van dagh tot dagh voor ’t laetste moord-uyr vresen. Vergeld de schimp en smaed Met straffen sonder maet Op’t hooft van onse buyren, En doet haer dese spot, O alderhooghste God, Wel sevenvoudt besuyren.

7 So sullen wy, die tot u schaeps-koy hooren, Die gy uyt min hebt tot u volck verkooren, Uw erf, uw lot, de lamm’ren uwer weyden, Van stam tot stam uw roem en eer verbreyden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.