Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iij. Pause. 13 Ghy gaeft my kracht dat ick hem nedervelde Die tegens my sich in de waepens stelde, Ick kreegh den rugh van die ick heb ontsielt, Mijn haeters sijn gevallen en vernielt. Sy riepen, maer ghy quaemt haer niet beschermen, Uw oor was doof, ghy hoorde nae geen kermen, Ick joeghse voort als een gedreeve kaf En ruymdes’ op als slijck ter straeten af.

14 Ghy hebt my, Heer, verlost van meuyteryen Des twistend volcx; tot opper-heerschappyen Der Heydenen hebt ghy my hoogh gement, Sy dienen my die ’k nimmer heb gekent. De klanck mijns naems dee vreemde Vorsten beven En onder my sich onderdaenigh geven Uyt hooge nood. Haer sterckten sijn verkracht, Haer vestingen en poorten in mijn macht.

15 De Heere leeft, mijn Steenrotz is gesegent; Den God, die my soo rijcklijck overregent En met sijn heyl bestort in overvloed, Sy eeuwigh lof; hem, die my wraecke doet,

Door wien ick heb de volcken onderworpen En sloegh hem die mijn bloed noch dacht te slorpen, Die boven hem my op den Throone stelt En my verlost van mannen van geweld.

16 Daerom sal ick met opgeheven handen U looven, Heer, ver in der heyd’nen landen En onder haer met sangh en soet geluyt Uw prijs, uw naem, uw wondren breyden uyt, Die heerelijck verloste dijnen Kooningh En stelde vast op Syon sijne wooningh Die uwe gunst op uw Gesalfde send, Op David en sijn zaede, sonder end.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.