Nun. xiiij.
1 Men doolt of glipt daer’t duyster is of glad:
Maer, Heer, uw woord licht my met heldre straelen
En streckt my tot een fackel op mijn pad,
En hoed mijn voet voor slibberen en dwaelen,
Dies heb ick oock gezwooren met een eed
In’t houden van u rechten noyt te faelen.
2 Groot was mijn druck, mijn lijden en mijn leedt,
Maeck dat ick weer, nae u belofte, leve:
Vry my van’t quaed dat my ter neder smeet;
Versmaedt doch niet het offer dat ick geve
Vrywillighlijck, geslacht van mijnen mond;
Leyd my op dat ick op geen dool-wegh zweve.
3 Mijn leven liep gevaer tot aller stond,
Ick heb mijn ziel als in mijn hand gedraegen:
Maer, Heer, hoe bloot ick oyt my selven vond,
Noch had ick in u wetten mijn behaegen,
Die ick betracht, en pass’ op strick noch net
Der boosen die my alle dagh belaegen.
4 Ick heb voor my gekosen uwe wet
Om voor mijn deel en eeuwigh erf te houwen,
En heb mijn sin alleen op haer geset:
Sy is mijn vreughd in allerley benouwen;
Oock hoop ick die te houden sonder smet
Tot dat de dood mijn leven sal verkouwen.