ij. Pause. 10 Hoe schielijck, als u gramschap blaeckt Sijn sy verwoest en wegh geraeckt! Gy veltse door een enckel schricken En doets’ in volle weelden sticken. Het gaet met haer, als met een beeldt Dat ’s nachts in ’s menschen sinnen speelt Wanneer hy slaept, en henen raeckt So haest hy van sijn droom ontwaeckt.
11 Doe my den boesem zwol van spijt, Doen ick geprickt wierd van de nijdt Die my een doorn was in mijn nieren, Was ick voor u, gelijck de dieren, Onwetend, dom en sonder ree, Gelijck het onverstandigh vee, Dat sonder kennis henen vaert En volght de drift van haeren aert.
12 Maer naemaels, beter onderrecht, Heb ick my vast aen u gehecht En ben by u gestaegh gebleven: Gy hebt my uwe hand gegeven En my wel trouwelijck gevat; Gy sult my leyden op het padt Door uwen raed, en voeren op Den alder-hooghsten eeren-top.
13 Wie isser in den Hemel dan Als gy, daer ick op bouwen kan? En wat is, nevens u, beneden Waer aen mijn lust sich kan besteden? Als al de wereld van my wijckt, Wanneer mijn vleesch en hert bezwijckt, Sijt gy, o alderhooghste Godt, Mijn heyl, mijn rotz, mijn deel, mijn lot.
14 Die sich te wijd van u begeeft Wat is het eynde dat hy heeft? Wat is het dat hem staet te wachten? Gy roept hem uyt, en sijn geslachten. Wat my belanght, het is my goed Te wesen onder uw behoed: Op u sal ick betrouwen, Heer, U sal ick roemen meer en meer.
Cookies on Poetry Cove