ij. Pause.
9 Houw uwe hand (so dee hy weeten)
Van mijn Gesalfden en Propheten;
Oock riep hy honger over ’tland,
En nam des levens onderstand,
So dat alom het brood gebrack:
Noch sorght hy in dit ongemack:
10 Een man heeft hy voor uyt gesonden
Die wierd verkocht, en nae gebonden
En ter gevanckenis gedaen
Met ysers en met boeyen aen,
Tot dat den tijd in’t eynde quam
Dat men hem uyt den kercker nam.
11 Tot dat de Kooningh hoorde seggen
Hoe Ioseph droomen uyt kon leggen:
Dies schicktmen vaerdigh om hem heen
En doet de kluysters van sijn been,
So raeckt hy weer in vryigheyd
En werd voor Pharao geleydt.
12 Die geeft hem het bewind in handen
Van hof en huys van volck en landen:
De Vorsten buygen onder hem,
De krijschluy luystren na sijn stem,
Men volght sijn voorstel in den Raedt,
Op hem so rust de gantsche staet.