Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 9 Houw uwe hand (so dee hy weeten)

Van mijn Gesalfden en Propheten; Oock riep hy honger over ’tland, En nam des levens onderstand, So dat alom het brood gebrack: Noch sorght hy in dit ongemack:

10 Een man heeft hy voor uyt gesonden Die wierd verkocht, en nae gebonden En ter gevanckenis gedaen Met ysers en met boeyen aen, Tot dat den tijd in’t eynde quam Dat men hem uyt den kercker nam.

11 Tot dat de Kooningh hoorde seggen Hoe Ioseph droomen uyt kon leggen: Dies schicktmen vaerdigh om hem heen En doet de kluysters van sijn been, So raeckt hy weer in vryigheyd En werd voor Pharao geleydt.

12 Die geeft hem het bewind in handen Van hof en huys van volck en landen: De Vorsten buygen onder hem, De krijschluy luystren na sijn stem, Men volght sijn voorstel in den Raedt, Op hem so rust de gantsche staet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.