Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 8 Mijn kracht vergaet, mijn vel werd dor en zwert, Mijn spier verdwijnt, mijn tongh kleeft aen mijn mond, Tot stof des doods, die my by na verslond, Maeckt gy mijn leven. Van honden wreed, door dulligheyd gedreeven, Van boeve-jaght werd ick alsins omhagelt, Mijn handen en mijn voeten zijn doornagelt Van’t Godloos Rott.

9 Mijn mager lijf is niet als been en bott, Daer’s niet als’t vel dat mijn geraemte deckt Sy sien’t met vreughd; ick werd daerom begeckt Met schempigh smaden; Sy deylen vast mijn kledren en cieraden, Sy dobbelen en seggen met malkander Dats uw’, dats mijn, en dat is voor een ander, So leyt het Lot.

10 Maer, Heer, hoe lydt ghy langer dese spot? O Gy, die zijt mijn kracht, mijn trouwe God, Maeckt u niet verr’ en wilt u haestigh tot Mijn hulpe spoeden; Bewaer my voor de zwaerden der verwoeden, Ruckt mijne ziel uyt haer bebloede handen, Verlost my uyt der dulle honden tanden En maeck my vry.

11 Ick roep tot u: O Heere, stae my by, Bescherm my voor de moorders wreed en dul, Die als een Leeuw met schrickelijck gebrul Nae my verlangen.

Dan sal ick, Heer, met snaren en gesangen Uw heylgen naem in u gemeynte loven En onder haer u roem doen klincken boven De wolcken uyt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.