Caph. xj.
1 Houw, Heer, uw woord daer ick op heb gewacht:
Mijn hert is flaeuw, mijn geest is als bezweecken,
Mijn ziel is van verlangen als versmacht,
Mijn oogen sijn van uytsien blind gekeecken,
So dat ick sey, hoe langh, hoe langh, o Heer,
Sal dijnen knecht beloofde troost ontbreecken?
2 Want ick verschroey gelijck het natte leer
So het te dicht mocht by het vyer genaecken,
Noch denck ick staegh op uwe wet en leer:
Wanneer sal doch dees tijd ten eynde raecken?
Wanneer sult gy ter wraecke komen af
En neder slaen die nae mijn leven haecken?
3 Koom af en neem de langh verdiende straf.
Een trotsen hoop heeft my een kuyl gegraeven
Waer toe ick haer noyt reen of oorsaeck gaf;
Sy hebben my met valscheyd na doen draeven,
Om dat ick my hou vast aen uwe leer:
Koom af, o God, om mijne ziel te laeven.
4 Sy hebben my by nae gevelt ter neer,
Doch ick en heb daerom niet afgeweeken,
Maer uw bevel betracht hoe lancx hoe meer;
Verquick mijn hert, mijn krachten sijn bezweeken,
En ick sal uw geboden volgen, Heer,
En van u wet sal ick gestaedigh spreecken.