Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iiij. Pause. 16 Aen Baal-Peor raecktmen vast, Men gaet by Midian te gast En eet het offer van de dooden: Dies God geterght tot toorn en straf Om dat sy dienden vreemde Goden Sond plaegen van den Hemel af.

17 Tot dat den dappren Pineas Die vol van heylgen yver was Bestont in’t Richters ampt te treden: De plaegh hiel op, en ’tbloedigh feyt Wierd hem tot in der eeuwigheden Gereeckent tot gerechtigheyd.

18 Oock hebben sy tot Meriba Den Heer vergramt, daer Moyses nae Om haerent wil voor moste lijden: Wijl hy geterght door al ’tgebas Van’t twistend volck sich liet ontglijden Een woord dat onvoorsichtigh was.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.