Pause.
5 Als mijn gemoed dit ernstigh overslaet,
Wat ist dat my te wachten staet?
Dies zijt gy, Heer, mijn hoop, mijn toeverlaet
Hoe dat het in de wereld gaet.
Verlost my van mijn sonden, goede God,
Stelt my den dwaesen niet ter spot.
6 Ick zwijge weer en houw my selven stil:
Wat my geschiet is uwe wil;
Van uwe hand, o Heer, komt dese straf;
Och, wend van my uw plaegen af:
Want ick bezwijck en sijg ter aerden neer;
Spaer uwe roe en slae niet meer.
7 Als gy den mensch om zijne sonden straft
En gal en roet en alssem schaft
Smelt, als een mot, zijn lust en sinlijckheyd,
Sijn eer en glans en luyster scheydt;
Wat is de mensch, als’t alles is geseyt,
Wat is hy meer als ydelheyd?
8 Verhoor my, Heer, neem op mijn traenen acht,
Neygh uwe ooren tot mijn klacht
Die voor u, als een vreemdelingh, gae treen,
Gelijck als mijne Vaders deen.
Houw op, mijn God, geef aessem aen mijn hert
Eer dat de dood mijn meester werd.