Pause. 4 Al wat gy schiept, dat groote wonderwerck, Uw gunst-genoon, uw bruyd, uw waerde Kerck, Uw Israel, gaen zwanger van uw lof: Dijn Coninghrijck geeft tot het loven stof; Men sal alsints van uwe daeden singen, Uw roem sal gaen tot de nakoomelingen Op dat hier nae oock aen ons neven blijcke De heerlijckheyd van dijnen Koninghrijcke.
5 Uw Koninghrijck weet van geen ondergaen: Uw kroone duyrt, uw Throon sal eeuwigh staen. Gy ondersrteunt wat dat te vallen dreyght, Gy recht het op wat dat sich kromt of neyght; Elck siet op u op dat hy sich verblijde, En gy geeft hen haer spijs te sijner tijde: Uw hand gaet op, om nae u wijs beraeden Al watter leeft van nood-druft te verzaeden.
6 Rechtvaerdigh is’t wat dat gy doet of laet, Uw goedheyd toont sich over goed en quaed, Maer die u recht in geest en waerheyd dient
Leyt u aen’t hert als vry een naeder vriend. Hy die u vreest sal sijnen eysch bekoomen: Gy luystert nae het bidden van de vroomen; Gy hoort haer stem wanneerse tot u schreyen, En sultse vry uyt boey en banden leyen.
7 Wie God benint die werd van hem bewaert, Hy roeptse wech die godloos sijn van aert, Dies zy sijn roem door mijnen mond verbreydt, En alle vleesch loof hem in eeuwigheyd.
Cookies on Poetry Cove