Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

ij. Pause. 9 Doch dit een kost den wrevel noch niet steuyten, Sy gingen voort met sondigen en meuyten, En hebben God, die buyten menschen gissen Fonteynen gaf in dorre wildernissen, Weer op een nieuw verbittert en versocht En eyschten spijs, die haer vernoegen mocht.

10 Kan, seyden sy, in dees versengde heyden

God wel voor ons een goede disch bereyden? Schoon of hy al dee uyt de rotsen breecken De ruymt van nat en overvloed van beecken, Sou oock sijn hand wel kunnen in den nood Ons hier versien van voedsaem vleesch en brood?

11 Hy hoorde ’t aen: en, door’t onsinnigh spreecken, Van grammigheyd verbolgen en ontsteken Om dat sy weer door ongeloof gedreven In wanckelmoed en misvertrouwen bleven, Sond hy het vyer door haeren leeger heen Dat door ’t gebedt van Moyses weer verdween.

12 Op sijn bevel sag men de wolcken scheuren Den Hemel gaf uyt sijn’ ontsloote deuren Op Israel een wonderlijcken regen: Een soeten dauw van boven neer gesegen Bracht lieflijck Man, op dat sich yder sat Aen’t nieuw gewas van hemels kooren at.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.