ij. Pause.
9 Doch dit een kost den wrevel noch niet steuyten,
Sy gingen voort met sondigen en meuyten,
En hebben God, die buyten menschen gissen
Fonteynen gaf in dorre wildernissen,
Weer op een nieuw verbittert en versocht
En eyschten spijs, die haer vernoegen mocht.
10 Kan, seyden sy, in dees versengde heyden
God wel voor ons een goede disch bereyden?
Schoon of hy al dee uyt de rotsen breecken
De ruymt van nat en overvloed van beecken,
Sou oock sijn hand wel kunnen in den nood
Ons hier versien van voedsaem vleesch en brood?
11 Hy hoorde ’t aen: en, door’t onsinnigh spreecken,
Van grammigheyd verbolgen en ontsteken
Om dat sy weer door ongeloof gedreven
In wanckelmoed en misvertrouwen bleven,
Sond hy het vyer door haeren leeger heen
Dat door ’t gebedt van Moyses weer verdween.
12 Op sijn bevel sag men de wolcken scheuren
Den Hemel gaf uyt sijn’ ontsloote deuren
Op Israel een wonderlijcken regen:
Een soeten dauw van boven neer gesegen
Bracht lieflijck Man, op dat sich yder sat
Aen’t nieuw gewas van hemels kooren at.