Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

iij. Pause. 13 Elck at het brood, dat Machtigen doet leven, Aen’t klaegend volck van uyt de lucht gegeven, Niet naeu, noch schaers, maer ruym en overvloedig. Hy spreeckt een woord: de winden koomen spoedigh Van Oost, van Zuyd, gedreven door sijn hand En brachten vleesch vol op in’t woeste land.

14 ’t Vleesch wierd geschaft van boven met een regen So dicht als’t stof des somers op de wegen; Gevleugelt vleesch, gejaeght door wind en weder Quam, als het sand des gullen oevers, neder,

Dat God rondom de hutten vallen dee Tweedaegen langh in hare legerstee.

15 Elck valt aen’t vleesch so ruym haer toegesmeten, Elck boet sijn lust: nu sijn sy sat gegeten, Haer buyck is vol, haer pensen sijn gelaen: Noch kan daer mee de wrevel niet vergaen; Haer mond is ree die God weer tegenspreeckt Terwijl het vleesch noch in de tanden steeckt.

16 Hier was’t gedult tot aen sijn eynd gekoomen: Gods toorn onstack en heeftse wegh genomen In grammen moed, nu moe van’t wederspannen. Hy sloegh ter neer haer uytgelese mannen, Doch echter wierd haer moedwil niet gedooft En bleven noch sijn wondren ongelooft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.