iij. Pause. 13 Sijn afkomst neemt geen eynd, en eeuwigh is sijn zaedt En sijnen Throon sal staen so langh den Hemel staet. Doch so sijn Kinderen my koomen te verlaeten En wijcken van mijn wegh nae slimme modder-straeten, So sy ontheyligen ’t geen ick heb willen setten, En niet en wandelen nae mijn geboon en wetten:
14 So sal ick met de roe haer overtreding slaen En d’ongerechtigheyd met plaegen tasten aen: Maer aen mijn goedigheyd sal hy gestaedigh deylen, En aen mijn trouw en sal’t noyt haperen noch feylen Mijn bond blijft ongeschend, en ’t woord, van my gesproocken, Dat uyt mijn lippen ging, voor eeuwigh onverbroocken.
15 Ick heb gezwooren eens by mijne heyligheydt So ick aen David liegh in’t geen ick heb geseyt! Sijn zaed sal altijds sijn: sijn throon van groot vermoogen Sal als een wisse Son staen eeuwigh voor mijn oogen En blincken als de Maen, die ick stel tot getuygen Dat sijn gevestigt Rijck sal wanckelen noch buygen.
16 Maer nu verstoot gy hem, en het gesalfde Hooft Vind sich door uwen toorn van uwe gunst berooft,
Gy aerselt van’t verdragh en nietight uw verbonden, En hebt de Kroon dijns knechts ontheylight en geschonden, Sijn sterckt’ en vestingen, sijn muyren en sijn wallen Hebt gy in het geweldt sijns vyands laeten vallen.
Cookies on Poetry Cove