Skip to content
1655

Davids Psalmen in Nederduytsche rijmen gestelt

Jacob Westerbaen

Lamed. xij. 1 Uw woord staet vast, en ’twaggelt nimmermeer, Uw waerheyd is van gisteren, noch heden, Die mergen sterft en neemt een rassche keer: Sy was altijds, en duyrt in eeuwigheden. De Hemelen sijn door uw woord gemaeckt, Gy stichte d’aerd’ en brachts’ op vaste leden.

2 Gy schickte’t so dat niets verwrickt of kraeckt Van’t groote werck tot op den dagh van heden: ’t Was al gereed wanneer gy maer en spraeckt; Had my uw woord, doe boose my bestreden, Niet ondersteunt en al mijn lust geweest, Ick was in mijn verdruckingh overleden.

3 Dies voel ick my verbonden op het meest Om nimmermeer uw wetten te vergeeten: Want door haer kracht ontvonckte mijnen geest. Ick hoor u toe, en ben u ingeseeten: Behoude my, want heb mijn best gedaen Om uwe wet op’t aldernaeuwst te weeten.

4 Een godloos volck, om my te doen vergaen, Is t’saem gerot en leyt my hinder-laegen: Maer, Heer, u woord merck ick geduyrigh aen;

Want, als ick ’t oogh heb over al geslaegen, Sie ick hoe los dat alle dingen staen, Maer dat u woord staet vast op stijve schraegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.